Is de digitale meter slimmer dan hij lijkt?

Is de “slimme” meter een slimme manier om ons nog méér te doen betalen voor onze energiefactuur die nu al de spuigaten uitloopt? Daar lijkt het wel op. Misschien is dat ook de reden waarom er nu plots niet meer over de “slimme meter” maar over de “digitale meter” gesproken wordt 😉

Wat er ook van zij, die vermaledijde digitale meter -laten we maar de officiële term gebruiken- heeft opnieuw het nieuws gehaald. Hij wordt namelijk uitgesteld voor (minstens) een half jaar. En hij zal niet prioritair geïnstalleerd worden bij eigenaars van zonnepanelen.

Is dat nu heuglijk nieuws voor zonnepaneleneigenaars of niet? De VREG (de Vlaamse Energieregulator) en de Vlaamse Overheid zijn alvast hevige fan van de digitale meter. Zo goed als elke eigenaar van zonnepanelen (inclusief mijzelf) is vierkant tegen. En de minister van Energie? Tja, die is eigenlijk wel voor, maar alleen op voorwaarde dat het huidig rendement van zonnepanelen (met de terugdraaiende teller) gegarandeerd blijft gedurende 15 jaren na de installatie.

Hoe zit de vork nu eigenlijk aan de steel? Zijn de digitale energiemeters wél of niét voordelig voor eigenaars van zonnepanelen?

De VRT is op zoek gegaan naar een antwoord. De VREG beweert dat de digitale meter een positief effect op de factuur zal hebben en wil dat iedereen met zonnepanelen zo snel mogelijk een digitale meter heeft. Kleine nuance: om dat positief effect te bekomen, moeten mensen met zonnepanelen wel zoveel mogelijk hun geproduceerde energie onmiddellijk verbruiken. En net daar knelt het schoentje…

Ik heb geprobeerd een simulatie te doen voor mijn eigen situatie. Opgelet: de cijfers en formules gaan u rond de oren vliegen…

Na = Ba – In

Ba = bruto-afname, de elektriciteit die afgenomen wordt van het net
In = injectie, de elektriciteit die teruggeplaatst wordt op het net
Na = netto-afname, het verschil tussen de bruto-afname en de geïnjecteerde energie
De netto-afname is negatief indien de zonnepanelen meer geïnjecteerd hebben dan er stroom werd afgenomen van het net.
De bruto-afname en de injectie worden door de digitale meter apart gemeten. De terugdraaiende teller meet enkel het verschil, zijnde de netto-afname.

PV = Zc + In

Zc = zelfconsumptie, of het direct verbruik, de hoeveelheid aan geproduceerde energie die  onmiddellijk verbruikt wordt en dus niet geïnjecteerd wordt in het net
In = injectie van geproduceerde energie in het net
PV = de totale hoeveelheid aan geproduceerde zonneënergie

Zc% = Zc / PV

Zc% = zelfconsumptiegraad, de verhouding tussen de zelfconsumptie en de totale PV-productie. Dit percentage ligt tussen 0% en 100%.

Het totale energieverbruik kan op 2 manieren gedefinieerd worden. Het is de som van de PV-productie en de netto-afname, of de som van de bruto-afname en de zelfconsumptie.

Actuele prijstarieven (BTW inbegrepen) bij mijn netbeheerder (Iverlek):

17,61 c€/kWh distributie- en transportkosten piekuren
12,84 c€/kWh distributie- en transportkosten daluren
99,16 €/kW forfaitair prosumententarief omvormer

De grote onbekende in dit verhaal is de zelfconsumptiegraad. Met een terugdraaiende teller kan je dit onmogelijk zelf berekenen aangezien er een onmiddellijke compensatie gebeurt tussen de bruto-afname en de injectie. Met de digitale meter worden deze 2 factoren apart gemeten en kan je je zelfconsumptie dus wél berekenen, namelijk Zc = PV – In, dit is het verschil tussen de energieproductie en de injectie in het net. Aha, toch al 1 voordeel van de digitale meter gevonden! 🙂

Er blijkt echter wel een gemiddelde zelfconsumptiegraad van alle particuliere zonnepanelen bekend te zijn. Ooit werd daar een universitaire studie over gemaakt en men kwam uit bij een Zc% van 28%. Dit is het percentage waarmee de netbeheerders rekening gehouden hebben bij het bepalen van de prosumententarieven.

Terug naar mijn situatie. Het afgelopen jaar produceerde ik 6.800 kWh met mijn zonnepanelen (omvormer van 5 kW). Ik heb een dubbele teller, dus 4.800 kWh tijdens de piekuren en 2.000 kWh tijdens de daluren (weekends). Op de dagteller draai ik (ongeveer) break-even, ik heb het afgelopen jaar dus evenveel verbruikt als wat ik geproduceerd heb. Mijn netto-afname tijdens de piekuren is m.a.w. 0 kWh. Mijn nachtteller stond echter op een netto-afname van 3.000 kWh.

Ik betaalde 385€ aan distributie- en transportkosten (0 kWh * 17,61 c€ + 3.000 kWh * 12,84 c€) en 496€ prosumententarief. Totaal: 881€.

Indien ik een digitale meter zou hebben, dan zou het compensatieprincipe van de terugdraaiende teller enkel van toepassing zijn op de energiecomponent, maar zou ik nettarieven moeten betalen op de bruto-afname en zou in ruil het prosumententarief wegvallen.

Ik doe een simulatie rekening houdend met de gemiddelde Zc% van 28%.

Piekuren: 4.800 kWh geproduceerd dus Zc = 1.344 kWh (= 4.800 * 28%) en In = 3.456 kWh (= 4.800 – 1.344). Bruto-afname: 3.456 kWh (= netto-afname + injectie).

Daluren: 2.000 kWh geproduceerd dus Zc = 560 kWh (= 2.000 * 28%) en In = 1.440 kWh (= 2.000 – 560). Bruto-afname: 4.440 kWh (= netto-afname + injectie).

Wat zou mij dit in het nieuwe systeem kosten aan distributie en transport? (3.456 kWh * 17,61 c€) + (4.440 kWh * 12,84 c€) = 1.179€!

Pardon? Dat is dus zo’n 300€ extra aan distributiekosten!

Ik zou al een zelfconsumptiegraad van 55% moeten kunnen bereiken om net hetzelfde te betalen als met de terugdraaiende teller! Mij lijkt dit weinig realistisch, en zeker niet met een warmtepomp in huis.

De VREG heeft sinds 25/10/2018 een digitale meter-simulator online geplaatst waarmee iedereen zijn situatie beter zou kunnen inschatten. Ik kom op dezelfde cijfers uit als de VREG, met dat verschil dat volgens de simulator van de VREG ik nu een zelfconsumptie van 36 à 40% zou hebben. Dat lijkt mij nogal optimistisch en kan ik natuurlijk op geen enkele manier verifiëren.

Conclusie: tenzij mijn zelfconsumptiegraad substantieel de hoogte ingaat (hetgeen mij weinig realistisch lijkt) is het systeem van de digitale meter veel nadeliger voor mij dan het systeem van de terugdraaiende teller.

Elke particulier zou gedurende minstens 15 jaar moeten kunnen kiezen tussen beide systemen: ofwel het huidig systeem (met terugdraaiende teller én prosumententarief) ofwel het systeem dat door de VREG wordt voorgesteld (terugdraaiende teller voor energiecomponent en geen prosumententarief meer maar nettarieven berekend op bruto-afname). Op basis van objectieve gegevens van de digitale meter kan elke zonnepaneleneigenaar dan zelf bepalen welk systeem voor hem het gunstigst is en krijgt hij voldoende tijd om stappen te ondernemen in de richting van een zo hoog mogelijke zelfconsumptie.

Het probleem van de digitale meter voor zonnepanelen is alleszins over de volgende Vlaamse verkiezingen van 2019 getild. De volgende minister van Energie krijgt deze hete aardappel doorgeschoven en riskeert er zich in te verslikken. De kans is bovendien zo goed als nihil dat de huidige minister van Energie ook de volgende minister van Energie wordt. Misschien is Annemie Turtelboom wel (opnieuw) geïnteresseerd in de job? 😆

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.